Als het maar goed gebeurt
Standpunt van de Vereniging van Educatieve Auteurs over Wikiwijs
Zorgen over kwaliteit
Op 7 april 2009 stuurde minister Plasterk zijn brief aan de Tweede Kamer over 'Wikiwijs in het onderwijs' (www.minocw.nl/wikiwijs). Onder de naam Wikiwijs wil de minister een nog niet bestaande infrastructuur voor open leermiddelen creëren, als onderdeel van een beweging 'die van groot belang is, omdat het leraren meer invloed geeft op de kwaliteit van het lesmateriaal'. De minister vindt dat veel leraren bij hun lestaak ook leermiddelen moeten maken - vooral digitale - en constateert een behoefte aan de mogelijkheid voor docenten om 'zonder drempels lesmateriaal te ontwikkelen en door te ontwikkelen'. In zijn brief wijst hij scholen op de mogelijkheid om het 'gratis' schoolboekengeld te gebruiken om leraren te faciliteren 'om aan (door) ontwikkelen te doen'.
De VvEA waardeert Wikiwijs als 'aanjager' van het gebruik van ICT in het onderwijs, zowel door de leraar als door de leerling. Maar als vereniging van professionele leermiddelenmakers maakt de VvEA zich ernstig zorgen over de kwaliteit van het werk van die leraren, die feitelijk in hun school ook werkzaam zijn als educatief auteur. De minister verwacht dat Wikiwijs aan de kwaliteit van leermiddelen zal bijdragen, maar hoe deze het best kan worden gewaarborgd 'zal bij de verdere uitwerking alle aandacht moeten krijgen'. In elk geval vindt hij het gewenst dat in lijn met de uitgangspunten van Wikipedia de 'wisdom of crowds' hier een bijdrage aan gaat leveren. Gelukkig wil hij ook aansluiten 'bij reeds bestaande initiatieven die kwaliteit bevorderen, zoals de vakverenigingen'.
Specifieke vaardigheden
In de visie van de minister moet Wikiwijs een 'ontwikkel- en arrangeeromgeving' worden, die docenten in staat stelt 'om open gedigitaliseerd materiaal te ontwikkelen, bewerken, doorontwikkelen en gebruiken'. Hij verwacht dat iedere leraar met Wikiwijs 'zijn creativiteit en didactische vaardigheden' kan inzetten door zelf origineel te ontwikkelen dan wel open materiaal van anderen door te ontwikkelen dan wel aan te vullen.
Wel ziet de minister dat een deel van de leraren de tijd moet krijgen om zich de technieken van het 'arrangeren' eigen te maken. 'Er zal aandacht moeten zijn voor werkplekgerichte ondersteuning en voor cursussen van leraren om zich de benodigde vaardigheden te leren. Het (door)ontwikkelen van digitale leermiddelen vraagt een specifieke vaardigheid die niet alle leraren bezitten of zich eigen willen maken.' De minister erkent dus niet alleen de specifieke vaardigheden waarover leermiddelenmakers moeten beschikken, maar ook het feit dat er leraren zijn die deze vaardigheden niet ambiëren. Zij besteden hun tijd en energie liever aan hun kerntaak, het verzorgen van onderwijs.
Leraar én auteur
In hoeverre behoort leermiddelen maken tot de kerntaak van een leraar? In zijn brief spreekt de minister over 'ontwikkelen', 'bewerken', 'doorontwikkelen' en 'arrangeren'. Als VvEA kunnen we met deze begrippen niet goed uit de voeten. Met anderen wekt de minister de indruk dat een 'arrangeur' zich beperkt tot het selecteren en combineren van bestaand materiaal, zoals afbeeldingen, filmpjes en teksten van internet. Maar daar komt in feite altijd een eigen bijdrage bij, zoals een toelichting, een instructie, een opdracht of een invulschema. En dat selecteren en combineren van materiaal gebeurt nooit zó maar, maar altijd binnen een bepaalde context, vanuit een bepaalde visie en gericht op bepaalde doelstellingen.
In de visie van de VvEA gaat het bij leermiddelen ontwikkelen (maken) om een scala van activiteiten, variërend van het eenvoudigste niveau van de leraar die een opdracht bij een afbeelding opschrijft tot het zeer complexe niveau van een auteursteam dat jarenlang met een uitgever werkt aan een complete methode (leergang). Af en toe lesmateriaal maken - meestal op eigen initiatief - rekent de VvEA tot de kerntaak van een leraar. Maar als hij leermiddelen als onderdeel van zijn baan maakt, als echte taak, met de bedoeling dat collega's zijn producten ook gaan gebruiken, dan is de leraar ook auteur. Een essentieel onderdeel van zijn werk vindt plaats als hij na het zoeken en selecteren van materiaal bepaalt hoe hij dit materiaal aanbiedt aan de leerling, voor wie het leermiddel is bedoeld. Op dat moment gebruikt de leermiddelenmaker zijn competenties als auteur, en dat zijn andere competenties dan die van de leraar.
Professionalisering van de educatieve auteur
Om welke competenties gaat het? In 2008 publiceerde de VvEA een competentieprofiel van de educatief auteur, waarin drie niveaus worden onderscheiden: de uitvoerend auteur, de proces- en eindredacteur en de conceptauteur (www.educatieveauteurs.nl). Voor de meeste leraar-auteurs gaat het om het eerste niveau van uitvoerend auteur, maar ook de twee hogere niveaus zijn aan de orde bij de open leermiddelenmakers. De VvEA vindt het prima dat een groeiend aantal leraren leermiddelen maakt, als het maar goed gebeurt. En daar is in veel gevallen scholing voor nodig, die niet behoort tot de op de kerntaak van de leraar gerichte initiële lerarenopleidingen.
Als beroepsvereniging is de VvEA al enige tijd bezig met de professionalisering van educatieve auteurs, dus ook leraar-auteurs, in goede samenwerking met diverse organisaties, zoals Fontys Lerarenopleiding Tilburg (FLOT), SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling) en het Centrum voor Leermiddelenstudie Utrecht (CLU). Daarbij hanteert de vereniging het VvEA-competentieprofiel als norm. Ook andere organisaties maken intussen gebruik van dit profiel bij hun werkzaamheden met betrekking tot leermiddelen. Het is te hopen dat de minister in de uitwerking van Wikiwijs aan weet te sluiten bij deze bestaande initiatieven. De VvEA acht het gewenst dat hij in de uitwerking van zijn plannen ruime aandacht besteedt aan de noodzakelijke professionalisering. Wat in elk geval voorkomen moet worden, is een daling van de kwaliteit van leermiddelen, als gevolg van Wikiwijs.
Namens het bestuur,
Tom van der Geugten, voorzitter
15 juni 2009